Geheel en al slivova

Uit: Dirty dancing   © Bob Mendes

 

De rit naar de luchthaven veroorzaakt bliksemschichten van pijn in zijn op hol geslagen geheugen. De chauffeur rijdt als een stuntman in een goedkope actiefilm. Op het Nedeljaplein in het hart van Sofia weet hij maar op het nippertje een frontale botsing met een gele tram te vermijden. In het ontwijkingsmanoeuvre sneuvelt zijn zijspiegel, maar dat kan hem niet tot betere gedachten brengen. Met complete doodsverachting slalomt hij door het drukke verkeer zonder oog voor het prachtige decor van kerken met gouden uivormige torens, nostalgische Oostenrijks-Hongaarse gevels en geel geplaveide pleinen met grootse standbeelden die de door betonrot aangetaste stalinistische gebouwen uit de hoogdagen van de Communistische volksrepubliek doen vergeten. Even voorbij de Alexander Nevski-kathedraal in neo-Byzantijnse stijl vraagt hij: ‘Internationale vlucht of binnenlands?’

     ‘Binnenlands,’ antwoordt Jess. ‘Varna.’

     De chauffeur mist op een haar na een voetganger die de rijweg oversteekt. ‘Voor een buitenlander valt in Varna niets meer te beleven,’ zegt hij. ‘Het toeristische seizoen is voorbij. Tenzij...’

     ‘Tenzij wat?’

     Hij kijkt opzij en fronst. ‘U een van hen bent.’

     ‘Een van wie?’

     ‘De maffia. Die houden in Varna een congres.’

     ‘Niet de maffia,’ weerlegt Jess. ‘Misdaadauteurs. The International Association of Crime-Writers, het AIEP.’

     De chauffeur trekt een gezicht alsof dat voor hem op hetzelfde neerkomt. ‘O, ja?’

Jess heeft het gevoel dat hij de reputatie van het AIEP moet verdedigen. ‘Ja. We komen elk jaar in een ander land bijeen voor de uitreiking van de Perfect Crime Award, dat is de Oscar voor het beste misdaadverhaal. Tijdens de zittingen worden de sterkste verhalen onder de loep genomen. De genomineerden krijgen de kans hun plot te verdedigen. Er wordt gedebatteerd. Op de laatste dag zal de jury de winnaar aanduiden. Maar het zijn vooral leerzame debatten. Iedereen kan er wat van opsteken.’ Dat Jess zo goed als zeker is dat hij zelf een van die genomineerden is, vertelt hij er niet bij.

     De chauffeur mompelt een verwensing aan het adres van een motorrijder die niet vlug genoeg plaatsmaakt. ‘U bedoelt waarschijnlijk dat vooral de criminelen er iets van kunnen opsteken,’ zegt hij grimmig. ‘Of denkt u soms dat wij sinds de preoestrojstvo geen corrupte politiemannen, omkoopbare douanen of onbetrouwbare politici meer hebben. Om maar te zwijgen over de nieuwe plaag van Kosovaarse bendeleiders en Turkse terroristen.’ Hij kijkt boos opzij. ‘Als congressen over moordtechnieken het enige is wat het Westen ons te bieden heeft dan…’

     Hij kijkt weer vooruit en ziet dat het licht op rood staat.

     ‘Gadver!’

     Hij trapt op de rem maar het is te laat. De taxi boort zich met een fikse klap in de flank van een auto die van rechts komt. Zonder zich om zijn passagier te bekommeren wrikt hij het portier open en vliegt de andere chauffeur in de haren. Voorbijgangers blijven staan en mengen zich in het debat. Jess stapt uit, nog wat versuft door de schok. Een politieagent blaast op een fluitje en baant zich een weg door de omstanders. Jess wacht het verloop van de gebeurtenissen niet af, maar pakt zijn koffer van de achterbank en maakt zich uit de voeten. Bureaucratie is in alle landen gelijk en hij voelt er niets voor een halve dag in het politiekantoor door te brengen voor een getuigenverklaring.

Alle passerende taxi’s negeren zijn opgestoken hand. Ten slotte krijgt hij een lift van een gemotoriseerde driewieler geladen met kannen yoghurt, gemaakt met buffelmelkfermenten, een Bulgaarse specialiteit. In de buurt van de luchthaven wemelt het van politiemannen. De yoghurthandelaar blijft hen liever uit de handen en zodra hij de eerste controlepost in het oog krijgt, zet hij hem af. Jess geeft hem tien leva en legt de laatste vijfhonderd meter te voet af, hollend.

 

De Russische Atonov-24, een tweemotorig schroefvliegtuig dat betere tijden heeft gekend, staat te wachten met draaiende motoren. Jess strompelt het metalen trapje op en laat zich uitgeput neerzakken in de eerste vrije stoel die hij tegenkomt. Achter hem wordt de cabinedeur dichtgetrokken. Vrijwel onmiddellijk laat de piloot het toerental van de motoren oplopen tot het vliegtuig staat te trillen op zijn landingsgestel, klaar om weg te sprinten. Een onrustwekkende geur van uitlaatgassen dringt door tot in de cabine. Jess werpt een blik om zich heen, maar blijkbaar is hij de enige die zich zorgen maakt over de veiligheid. De andere passagiers zijn allemaal druk in gesprek of lezen kranten in het voor hem onleesbare cyrillische alfabet. De meeste passagiers zijn Bulgaren in zwarte leren jacks vergezeld van mooie vrouwen met smalle, ovale gezichten, hartstochtelijke donkere ogen en lang zwart haar. Jess sluit zijn ogen en legt zijn lot in handen van een hogere macht.

     Alsof de piloot daarop heeft gewacht gooit hij de remmen los en met een hoog gierend geluid begint het vliegtuig te rijden. Halverwege de startbaan komt het los, klimt steil omhoog en begint aan een bocht naar het oosten. Het lawaai wordt minder en nu de druk in de cabine wordt opgevoerd, verdwijnt ook de geur van de uitlaatgassen. Jess opent behoedzaam één oog en gluurt naar buiten. De propellers flitsten geruststellend in het zonlicht en de motoren lijken het te zullen uithouden. Hij zakt onderuit in zijn stoel en probeert de chaos in zijn hoofd  te ontwarren.

 

De ellende was niet die ochtend in de taxi begonnen, maar gisteren al, toen de Tupolov 154 van Balkan Air met acht uur vertraging in Sofia landde, na een noodlanding in Boedapest wegens een technisch defect. Op zich was dat niet zo erg want hij kon pas de volgende dag naar Varna vliegen, maar hij liep daardoor wel het geplande bezoek mis aan het historische Rila-klooster, dat op anderhalf uur van Sofia ligt. Hij had een kamer voor de nacht gereserveerd in het Bulgaria, een tot hotel omgebouwd paleis met ouderwetse charme aan de ex-Ruskiboulevard. Aan de balie kreeg hij van de portier een sleutel met een sleutelhanger met het formaat van een slagboom samen met een paar toeristische folders. Pas op zijn kamer zag hij dat tussen de folders een brief zat uit Belgiè. Er stond geen afzender op, maar hij zag onmiddellijk dat hij van Saskia was. Alleen zij schreef zijn bijbelse voornaam voluit, hoewel ze wist dat hij daar een hekel aan had: Jeshaja in de plaats van Jess. Met een bang voorgevoel scheurde hij de envelop open.

 

Als je weer thuiskomt zal ik er niet meer zijn, schreef ze. Er is een andere man in mijn leven en ik ben nu eenmaal geen two-timer. Wie hij is heeft geen belang. Ik neem mijn eigen spullen mee en het tegoed van onze bank- en spaarrekeningen. De auto mag jij hebben. Het ga je goed.

Saskia.

 

P.S.: Ik zie geen reden waarom ik mijn mond voorbij zou praten over jouw bron van inspiratie voor ‘Geef de doden de schuld’. Jij wel?

 

Een getypte brief. Ze had niet eens de moeite genomen hem te tekenen.

     Hij liep de straat op en kocht in een barza een fles slivova. Op een bank tegenover de Russische Sint-Nicolaaskerk dronk hij de herinnering weg aan wat eens een goed huwelijk was geweest en aan de man die dat huwelijk kapot had gemaakt.

 

De Atonov vliegt nu op kruishoogte. Een airhostess met dikke kuiten en vermoeide ogen brengt een met folie omwikkeld bordje het ontbijt salade van komkommers, tomaten en witte kaas.

     Jess heeft geen trek. Aan de nachtelijke braspartij heeft hij een barstende hoofdpijn overgehouden. Tegen zo’n kater kent hij maar één remedie: doorgaan met drinken. Omdat op de binnenlandse vluchten geen drank geserveerd wordt heeft hij voor hij het hotel verliet drie miniatuur flesjes wodka gekocht. Hij ontkurkt een van de flesjes en drinkt met kleine slokjes.

     In zijn door wodka en slivova geteisterde hersenen wordt het hem bij iedere omwenteling van de schroeven duidelijker dat de nieuwe man in Saskia’s leven niemand minder is dan zijn boezemvriend Alex Havel.

     Met de bedekte bedreiging in haar postscriptum heeft Saskia zijn identiteit prijsgegeven. Alex is de enige van wie ze kan weten waar hij ‘Geef de doden de schuld’ vandaan heeft.

     Jess laat het lege flesje op de grond vallen. Hij schudt het hoofd. Hij begrijpt niet waarom Alex hem zou belazeren. Hij kent hem al van toen hij nog achter het IJzeren Gordijn in Praag woonde. Maar ze werden pas echt vrienden toen hij in 1988 naar Brussel kwam om een film te regisseren waarvoor Jess het scenario had geschreven. Hun vriendschap is gebaseerd op vertrouwen en wederzijds respect. Na de fluwelen revolutie en de latere deling van Tsjecho-Slowakije, ging Alex voor Franse filmmaatschappijen werken en hij vestigde zich in Parijs. Soms kwam hij voor een paar maanden naar Brussel en dan verleende Jess hem onderdak. Als cineast en vrijgezel heeft Alex geen gebrek aan vrouwen, maar zijn romances zijn altijd van korte duur. Alex heeft maar één passie: zijn werk.

 

Het dreunen van de motoren van de Atonov wordt minder en het vliegtuig begint aan een langzame daalvlucht.

     Saskia van haar kant heeft nooit hoog opgelopen met Alex. Vanwaar dan die plotse ommekeer? Wil ze hem met gelijke munt betalen omdat hij niet zo lang geleden zelf een slippertje heeft gemaakt? Hij logeerde toen bij Alex in Parijs en werkte met de bevriende Franse schrijfster Evelyne Lejeune aan een reeks over computercriminaliteit. Evelyne had de informatica in haar vingertoppen en toen op een avond zijn laptop vreemde kuren vertoonde kwam ze hem uit de nood helpen. Later gingen ze samen op stap. Van het een kwam het ander, de lente in Parijs, de artiestencafés, boottochtjes op de Seine. De idylle eindigde met het inleveren van de kopij bij het Parijse weekblad. Jess keerde terug naar huis. Met Saskia ging alles weer zijn gewone gangetje en voor zover hij wist was zijn geheimpje bij Alex in veilige handen.

     Door de luidsprekers klinkt hevig gekraak gevolgd door een paar onverstaanbare woorden waaruit hij opmaakt dat ze op het punt staan te landen. Even later draait de piloot het landingsgestel zakken; het vliegtuig trilt in al zijn voegen.

     Alex met Saskia. Het is haast niet voor te stellen. Seks betekent niets voor haar en Alex is de laatste om zijn verstand op nul te zetten en zijn lul achterna te lopen. Behoefte aan avontuur? De spanning van wat niet hoort? Vergeet het. Waar hij helemaal niet bij kan is dat Alex zijn mond voorbij heeft gepraat. Over het slippertje met Evelyne maakt Jess zich minder druk, maar dat Alex iets heeft gelost over ‘Geef de doden de schuld’ zou hij hem nooit vergeven. Wat bezielt hem? Wilt hij mijn carrière breken? Jess balt de vuisten. Zijn verontwaardiging kent geen grenzen.

     Met een harde klap raken de wielen het asfalt. Het vliegtuig wipt op en komt weer hard neer. Rugleuningen van lege stoelen slaan naar voren en luiken van bergruimten vallen open. Een paar vrouwen gillen. De piloot gaat op de remmen staan en krijgt het vliegtuig onder controle.

     De harde landing vertolkt volmaakt de stemming waarin Jess verkeert. Als hij op dit ogenblik Alex tegen het lijf zou lopen, zou hij hem even hard aanpakken.

 

In de kleine aankomsthal voor binnenlandse reizigers wordt hij opgewacht door Fani Zurakova, een psychologe aan de universiteit van Sofia die in haar vrije tijd boeiende whodunits schrijft. Fani is een kleine veertigjarige vrouw met zwierige heupen en lachende ogen, lijfelijk en opwindend. Ze kennen elkaar sinds jaren. Fani gaat op haar tenen staan en kust hem op Russische wijze: linkerwang, rechterwang en een klapje op de rug. Dan wijst ze naar een lange magere man achter haar met donkere ogen en een woeste baard. ‘Dit is Rangel, vriend, schrijver en gratis taxichauffeur voor de deelnemers aan het congres.’

     Ze schudden elkaar de hand. Rangel pakt zijn koffer op en ze lopen naar buiten. Tien minuten later zijn ze via een landelijke omweg op weg naar St.-Constantine, het oudste kuuroord aan de Zwarte Zee op een tiental kilometers van Varna, waar in het International Home of Scientist ‘Jolliot-Curie’ het congres van AIEP en de uitreiking van de Perfect Crime Award plaatsvindt.

Jess zit naast Fani op de achterbank. Langzaam sprekend, af en toe moeizaam naar de juiste Engelse woorden zoekend, haalt ze herinneringen op aan andere congressen in andere landen. Hij luistert afwezig, zijn gedachten nog bij de brief van Saskia en het verraad van Alex. Ze rijden door een glooiend landschap, met sporadisch wat armoedige huisjes of een kleine boerderij. Er is nauwelijks verkeer, behalve een enkele ezelskar op weg naar het veld, met op de bok het ineengedoken silhouet van een boer in een zwarte jas en de steeds in vele sjaals gewikkelde vrouw achter hem in de bak. Loslopende kippen en tomen eenden steken waggelend de weg over. Het is een negentiende-eeuws landelijk beeld, slechts onderbroken door kleine gehuchten met de onvermijdelijke standbeelden die herinneren aan grote dagen in dit kleine land met zijn vriendelijke goedmoedige burgers.

     ‘Vind je het erg?’ vraagt Fani.

     ‘Wat?’

     ‘De preliminaire zitting van vanmiddag. Om twee uur.’

     ‘Sorry. Ik was even afwezig met mijn gedachten.’

     ‘Het bestuur wil met jou een voorafgaand gesprek over je inzending.’

     Opeens heeft Jess een dringende behoefte aan een borrel.

     ‘Waarom?’

     Fani krijgt een kleur. ‘Ik weet het niet.’

     Hij haalt een flesje wodka uit zijn zak en slaat de inhoud in één keer achterover. Fani volgt zijn bewegingen met grote ogen. ‘Ook een?’ Ze trekt een gezicht. ‘Nog te vroeg voor mij,’ zegt ze.

     Hij denkt na. Vermoedelijk maakt hij zich kopzorgen om niets.

     Het is niet ongewoon dat de jury de vermoedelijke winnaar even apart wil nemen of hij bereid is om mee te werken aan het latere ceremonieel. Hij vat weer moed.

     ‘Weet je al wie de andere genomineerden zijn?’

     Ze wendt haar ogen af. ‘Nee. Dat wordt pas na de preliminaire zitting van vanmiddag bekend gemaakt.’

     ‘Kom op, Fani.’

     ‘Het spijt me. Het enige wat ik kan zeggen is dat je met een van hen erg goed bevriend bent.’

     Hij staart nadenkend door de voorruit. De ‘vriend’ op wie Fani zinspeelt kan alleen Alex zijn. Hij wist dat Alex onlangs een roman had geschreven, maar niet dat het een misdaadroman was. Waarom opeens zo achterbaks? Ze hadden nooit geheimen voor elkaar gehad. Haast werktuiglijk zet hij een nieuw flesje wodka aan zijn lippen. Langzamerhand begint het verband tussen de brief van Saskia en deze nieuwe ontwikkeling tot hem door te dringen.

     ‘We zijn er,’ zegt Fani.

     Ze staan voor een gesloten slagboom die toegang geeft tot een haast lege parking. In het wachthuisje ernaast zitten twee bewakers, die hen met wantrouwige blikken gadeslaan. Rangel stapt uit en legitimeert zich. Het duurt even voor de slagboom omhoog gaat. Fani glimlacht verontschuldigend. ‘Een erfenis van ons communistische verleden. Twee agenten om drie auto’s te bewaken. We hebben nog veel werk voor de boeg.’

     Jess opent het derde en laatste flesje. De economische heropbouw van Bulgarije interesseert hem niet. Hij wil Alex vinden. Hij wil zijn handen om zijn strot leggen en knijpen.

 

     Het tot hotel omgebouwde gewezen congrescentrum van de communistische wetenschappers staat midden in een park met uitzicht op zee. Het gebouw vertoont zichtbaar tekenen van veroudering, maar eenmaal binnen bezit het de ouderwetse charme van de jaren zestig. In de ruime hal stelt Fani hem voor aan een viertal Bulgaarse schrijvers met borstkassen als van operazangers. De namen dringen nauwelijks tot hem door, maar ze eindigen allemaal op tov, nov of lov. De balie is een met glas afgesloten ruimte, met achter een soort van loket een veertigjarige vrouw in traditionele kleding, gezegend met overdadige proporties. Jess moet zijn paspoort afgeven en krijgt de sleutel van kamer 42 en een hotelpasje in de plaats. Alex logeert op de tiende verdieping.

     De lift is buiten werking. Hij loopt de trappen op naar de vierde verdieping en gooit zijn koffer op het bed. De kamer is Spartaans ingericht maar er staat een gedeukt koelkastje en een houten radiomeubel met buislampen dat in een museum thuishoort. Maar hij werkt. Jess kijkt op zijn horloge: halftwee, bijna tijd voor de hoorzitting.

     Nog steeds geen lift. Met twee treden tegelijk beklimt hij de trappen en bereikt buiten adem de tiende verdieping. De kamer van Alex ligt aan het einde van de gang. Hij trommelt op de deur. ‘Openmaken, Alex. Ik heb verdomme een eitje met je te pellen.’ Geen antwoord. Dat brengt hem nog meer uit zijn humeur. Hij trapt tegen de deur die uit het slot springt. Zonder aarzelen loopt hij naar binnen. Overal liggen kleren: op het bed, op de vloer, op de radiator van de verwarming. Typisch Alex. Op het nachtkastje staat een foto van hun gedrieèn met Saskia in hun midden. Ze leunt tegen Alex  aan alsof de twee bij elkaar horen. Hij moest wel volslagen blind geweest zijn. Hij scheurt de foto aan snippers en verlaat stampvoetend de kamer.

In het winkeltje in de lounge koopt hij een fles slivova en begeeft zich naar de hoorzitting.

     De vijf juryleden van de Perfect Crime Award zitten met ernstige gezichten achter een tafel met in het midden Fernando Martinez Lainez, de vice-voorzitter van AIEP. Naast hem zit Miguel Agusti, een Spaanse schrijver met een gegroefd gezicht en alerte, intelligente ogen. Jess schudt hen een voor een de hand en gaat tegenover de voorzitter zitten.

     Fernando steekt meteen van wal. Hij heet hem welkom, vindt het jammer dat hij de dag eerder de openingsceremonie niet heeft kunnen bijwonen en vraagt hem in een adem of hij weet waarom hij op een preliminaire zitting is uitgenodigd.

     Jess grinnikt. ‘Om mij te feliciteren omdat ik de prijs heb gewonnen?’ Aan de gezichten te zien is hij de enige die dat grappig vindt.

     Fernando glimlacht minzaam. ‘Zover zijn we nog niet.’ Zijn stem krijgt een ernstiger klank en hij plaatst de vingertoppen op een bestudeerde manier tegen elkaar. ‘Over heel de wereld worden jaarlijks tientallen literaire prijzen uitgereikt, de ene al belangrijker dan de andere, er is de Engelse Booker Prize en de Amerikaanse Pulitzer Prize, maar er is maar één Perfect Crime Award. Alle andere prijzen hebben een nationaal karakter. Onze prijs is internationaal. Hij wint voortdurend aan belang. Bij de beoordeling van de ingezonden werken moeten we dan ook uiterst streng zijn.’

     ‘Uiteraard.’

     ‘Vooral dan wat de oorsprong betreft,’ zegt Fernando met nadruk op oorsprong.

     Jess voelt een beweging onder zijn middenrif alsof zijn maag in opstand komt. In het midden van de tafel staat een karaf water en glazen. Hij pakt een glas en vult dat met slivova. ‘Iemand zin in een drankje?’

     ‘Nee, dank u,’ antwoordt Fernando voor de anderen mee. Hij legt zijn handen op tafel en buigt naar voren. ‘We hebben “Geef de doden de schuld” met veel aandacht gelezen. Het is een schitterend boek. Een echte winnaar. Althans indien het een origineel werk is.’

     ‘Weet u wel wat u zegt?’ vraagt Jess.

     ‘Zeker. Ik zal het duidelijker stellen: is het uw eigen geestesproduct? Bent u bereid dat onder ede te bevestigen?’

     Jess begint te lachen. ‘U weet echt niet wat u zegt.’

     ‘Toch wel. Naar verluidt zou uw boek een…’

     ‘Het is mijn eigen werk,’ schreeuwt Jess opeens kwaad. ‘Zijn jullie van lotje getikt? Ik ben schrijver. Geen letterdief.’ Hij staat op en loopt naar de deur. ‘Wat denken jullie wel? Als het zo moet kan jullie prijs me gestolen worden.’

     ‘Ga alsjeblieft weer zitten, Jess,’ zegt Miguel Agusti.

     Hij laat de klink los. Hij kent Agusti en beschouwt hem als een oprecht en eerlijk man. ‘Een van de andere genomineerden beschuldigt je van plagiaat, Jess. Je begrijpt ook wel dat we zoiets niet naast ons kunnen leggen.’

     ‘Iemand probeert me een loer te draaien,’ protesteert hij.

     ‘De aanklager beweert over bewijzen te beschikken.’

     ‘Wat voor bewijzen?’

     Agusti zit duidelijk verveeld met de zaak. ‘Briefwisseling. Een depotnummer.’

     ‘Heb je ze gezien?’

     ‘Nee, maar…’

     ‘Zie je wel,’ zegt hij triomfantelijk. ‘Als hij bewijzen had zouden die hier nu op tafel liggen.’

     ‘Als hij die niet heeft, haalt hij zich grote moeilijkheden op de hals,’ spreekt de strakke stem van Atanas Mandadjev, een ander lid van de jury. ‘Dan verspeelt hij zijn eigen nominatie en dan royeren we hem als lid. Om niet te spreken van de vervolging die we zullen instellen wegens eerroof en poging tot bedrog. Als hij ze wel heeft geldt voor u hetzelfde.’

     Jess balt zijn vuisten. ‘U zegt voortdurend hij. De aanklager is dus een man.’

     ‘Hij of zij heeft geen belang. Een van u beiden liegt.’

     ‘Nou. Ik niet. Dus is het de ander. En ik weet wie.’ Jess verheft zijn stem. ‘Alex Havel. De smerige verdommeling. Eerst mijn vrouw inpikken. Dan mijn eer en reputatie. Maar nu is ‘t afgelopen. Nu krijgt hij zijn verdiende loon.’

     Zonder naar hun protesten te luisteren stormt hij de deur uit.

 

Midden in de lounge verspert een vrouw met dik, zwart haar en een gezicht met opvallend hoge jukbeenderen en volle lippen hem de weg. ‘Hé, Jess. Waarom zo gehaast?’

     Hij wil voorbijlopen, maar ze pakt hem bij de arm. ‘Wat is er aan de hand?’

     Nu pas dringt tot hem door dat hij oog in oog staat met Evelyne Lejeune.

     Hij hijgt. ‘Hij is een onmens, Evelyne. Ik maak hem kapot.’

‘Tuttut.’ Met zachte dwang brengt ze hem naar een zithoek en duwt hem neer in een van de plastic fauteuils. ‘Ziezo. Voor je iemand koud maakt kun je misschien beter even je gemoed luchten. Misschien kan ik je helpen.’

     Een nieuwe woedeaanval wekt een kramp op in zijn maag. Hij trekt de fles slivova uit zijn zak en neemt een slok. De alcohol vreet zich een weg naar zijn maag en temt de kramp. Als hij de fles van zijn mond neemt zit Evelyne naar hem te kijken met een begrijpende blik in haar grote, grijze ogen. Hij herinnert zich hun vertrouwelijke nachtelijke gesprekken in Parijs. Voor hij het weet is hij bezig zijn hart uit te storten. Hij vertelt haar over de brief, hoe Saskia zijn bankrekeningen heeft geplunderd, hoe ze hem horens heeft gezet met Alex. Hoe Alex van zijn beste vriend plots zijn ergste vijand is geworden. ‘Hij beschuldigt me van plagiaat, Evelyne. Waarschijnlijk om zichzelf meer kans te geven.’ Al pratend drinkt hij slivova.

     Bezorgd, bijna met medelijden kijkt Evelyne hem aan. ‘Die affaire tussen Saskia en Alex was al bezig toen we samen in Parijs waren. Ik dacht dat je het wist.’

     ‘Nee.’

     ‘Weet je nog die dag in Parijs toen we naar een matinee waren geweest en we na afloop op een terrasje op de Boulevard Montparnasse wijn dronken?’

     Jess haalt de schouders op. Hij is niet in de stemming om sentimentele herinneringen aan Parijs op te halen.

     ‘We hadden een fles Chateauneuf du Pape besteld. Weet je nog waarover we toen gepraat hebben?’

     Hoewel de slivova hem belet helder te denken komen de herinneringen in flarden terug. Ze had hem gewaarschuwd. Pas op voor Alex, had ze gezegd. Hij neemt graag risico’s. Alex is een gokker. Iemand die graag spelletjes speelt met anderen als inzet. Hij verleidt je om dingen te doen die je niet wil doen.

     Evelyne legt een hand op zijn knie. Ze heeft de delicate handen van een pianiste. ‘Ik was toen begonnen je een verhaal te vertellen, maar je liet me niet uitspreken. Je wilde van Alex geen kwaad horen. Zal ik dat verhaal nu afmaken?’

     Hij knikt.

     ‘Het speelt zich af in Praag toen dat nog achter het IJzeren Gordijn lag. Twee bevriende schrijvers, een Tsjech en een Oost-Berlijner ontmoeten elkaar en gaan op stap. De Oost-Berlijner, een succesrijk misdaadauteur, heeft zopas een nieuw boek geschreven. De Tsjech, die vooral scenario’s schrijft voor de filmindustrie, is al een hele tijd vruchteloos op zoek naar nieuwe ideeèn. Hij maakt de Oost-Berlijner wijs dat het toeval wil dat ook hij pas een nieuwe roman af heeft. Ze vieren dat met een fles slivovitsj. Na de derde fles komen ze overeen hun manuscripten uit te wisselen om aan te tonen dat niemand het verschil zal merken. Maar de Tsjech heeft geen roman geschreven en hij geeft de Oost-Berlijner een in het Duits vertaald manuscript van een misdaadverhaal, dat nooit in Duitsland werd uitgegeven.’

     Jess kreunt. Hij springt op en wankelt. Van binnen is hij een en al wodka en slivova.

     ‘Is het zo dat hij jou in de luren heeft gelegd, Jess? Heb je je laten verleiden om manuscripten te ruilen?’

     Met gesloten ogen blijft hij staan. Schaamte en woede vechten een veldslag uit onder zijn hersenpan. Hoe had hij zich zo te grazen kunnen laten nemen? Zijn boek was door Alex tot een scenario verwerkt en met groot succes in Parijs verfilmd. Nu eiste Alex het auteursrecht op van het manuscript dat hij ervoor in de plaats heeft gegeven.

     Jess opent zijn ogen. ‘Maar als ik niet kan bewijzen dat hij mijn boek verfilmd heeft, kan hij ook niet bewijzen dat ‘Geef de doden de schuld’ van hem is.’

     ‘Nee,’ zegt Evelyne. ‘Het is ook niet van hem. Het is van een Rus of een Engelsman of een Zuid-Amerikaan. Vermoedelijk is het ooit zelfs ergens uitgegeven en bestaat er een depotnummer van. Zonder het te willen heb je dus wel degelijk plagiaat gepleegd.’

     Nog kan of wil Jess het verdict niet aanvaarden.

     ‘Maar waarom moet hij dan ook nog een klacht indienen tegen mijn nominatie?’ vraagt hij wanhopig. ‘Wat heeft hij ermee te winnen?’

     ‘Niets,’ zegt Evelyne. ‘Dat is wat aan Alex zo eng is.’

 

Hij weet niet hoe hij de tiende verdieping heeft bereikt. Hij is uitzinnig van woede. De deur van de kamer is dicht en hij neemt de moeite niet aan te kloppen. Voor de tweede keer die dag trapt hij de deur uit het slot. Alex staat met zijn rug naar hem toe op het smalle terras, naakt, met beide handen steunend op de lage balustrade, zodat de najaarszon maximaal op zijn perfect gevormde lichaam met de gladde, olijfkleurige huid kan inwerken. Achter hem ziet Jess het glinsterende water van de Zwarte Zee.

     Met een verstikt geluid stormt hij naar binnen.

     Alex hoort hem aankomen en draait zich om. Zijn gezicht licht op. ‘Eindelijk,’ zegt hij. ‘Ik dacht dat je nooit zou komen.’

     In zijn furie struikelt Jess over de drempel van de terrasdeur. Zijn vaart is zo groot dat hij met het hoofd vooruit over de balustrade schiet. Op het laatste nippertje vangt Alex hem op. Hij duwt hem neer in een ligstoel. Nu pas ziet hij dat Alex niet helemaal naakt is. Hij draagt een tanga, zo’n vervloekt minuscuul badslipje, niet veel meer dan een driehoekje en een koord.

     ‘Er zijn andere manieren om vlug beneden te komen,’ lacht Alex.

     Jess spuwt hem de woorden in zijn gezicht. ‘Verdomde ellendeling. Ik vermoord je.’

     Alex glimlacht. ‘O, ja. Hoe?’

     Alex is groter, maar Jess is dubbel zo sterk. ‘Met blote handen. Ik rijt je aan stukken.’

     De glimlach besterft op Alex’ gelaat. ‘Je bent bezopen,’ concludeert hij.

     Jess wil uit de ligstoel opstaan, maar Alex duwt hem weer neer. ‘Blijf zitten. Vertel me liever eerst wat je me te verwijten hebt.’

Hij scheldt hem de huid vol. Hij vloekt als een ketter. ‘Je hebt me belazerd. Je ontfutselde me mijn boek en gaf me een snertboek in de plaats.’

     ‘Hoezo snertboek? Het werd genomineerd voor een belangrijke literaire prijs. Met wat geluk krijg je hem. Dan ben je op slag wereldberoemd. Dankzij mij.’

     Jess kookt van woede. ‘Hou op met die komedie. Ik heb je door. Waarom deed je het? Jaloezie? Of denk je dat je meer kans hebt met je eigen boek door het mijne van plagiaat te beschuldigen?’

     ‘Hou ermee op, Jess. Ik heb mijn boek niet eens ingezonden. Waarom zou ik het jouwe in godsnaam van plagiaat beschuldigen?’

     ‘Waarom? Omdat je een januskop bent. Een man met twee gezichten. Een vuilak die er met de vrouw van zijn beste vriend vandoor gaat.’ Jess zwaait met zijn armen en gooit het tafeltje om naast de ligstoel. Een glas en lege bierflesjes rollen over het terras.

     Alex begint zijn geduld te verliezen. ‘ Saskia heeft nooit op mijn verlanglijstje gestaan. Ik kan andere vrouwen krijgen.’ Hij zegt nog net niet betere.

     Jess grabbelt Saskia’s brief uit zijn binnenzak en houdt die omhoog. ‘Waarom schrijft ze dan dat ze er met jou vandoor is?’

Alex werpt een vluchtige blik op de brief. ‘Stommeling. Zelfs een dronkelap als jij kan zien dat zij die brief niet heeft geschreven. Waarom vraag je niet aan je hartsvriendin hoe de vork aan de steel zit?’

     ‘Wie?’

     ‘Evelyne, natuurlijk. Zij is immers ook genomineerd. Tweedracht zaaien of iemand door de modder trekken is meer haar stijl.’

     Jess werkt zich omhoog, dreigend. ‘Hoe kon zij weten dat het manuscript niet van mij is?’

     ‘Ze heeft er een handje van weg om mannen dronken te voeren en uit te horen. Waarom denk je dat ze met jou naar bed is gegaan? Om de liefde? Vergeet het. Als een echte puber ben je er ingetrapt.’ Alex lacht honend.

     Zijn lach werkt als een rode lap op een stier. Met een onverhoedse beweging laat Jess zijn vuist uitschieten naar zijn maagstreek. Alex ziet de stoot aankomen en wijkt achteruit. Hij trapt op een van de lege flesjes. Zijn steunbeen schiet onderuit en hij valt achterover met zijn rug op de lage balustrade. Hij strekt beide armen naar Jess uit om hulp. Die beseft het gevaar. Hij buigt naar voren en grijpt wild naar zijn handen, maar de liters wodka en slivova hebben zijn evenwichtsgevoel verstoord en hij valt boven op de ander. In een dodelijke omhelzing slaan ze samen over de balustrade.

     In de oneindigheid van tijd die aan de ruimtereis voorafgaat verschijnt voor het geestesoog van Jess nog een keer het gezicht van Saskia die nog nooit een brief op een typemachine heeft geschreven, maar dat beeld vervaagt snel en in de plaats verschijnt het gezicht van Evelyne die aan zijn laptop sleutelt en die met een paar toetsaanslagen de briefwisseling met Alex over de ‘switch’ van manuscripten op het scherm tovert.

 

Fernando Martinez Lainez wacht tot het applaus is uitgestorven.

     ‘Het verhaal dat u hoorde kreeg met eenparige stemmen van de jury de Prijs voor de Perfecte Misdaad van het jaar 2000. Het is een verhaal waarin een dubbele moord wordt gepleegd met als enig wapen het handig tegen elkaar uitspelen van kleine menselijke gebreken zoals daar zijn: verdachtmaking, ontrouw, jaloersheid, leugen en zucht naar roem. De misdaad is zo perfect dat zelfs al zou de dader bekentenissen afleggen hij of zij er niet voor zou kunnen worden veroordeeld. Ik betreur alleen dat dit verhaal werd geïnspireerd door de onfortuinlijke manier waarop vorig jaar in Varna aan de Zwarte Zee twee van onze meest gerespecteerde schrijvers om het leven kwamen. De omstandigheden van dat ongeluk werden nooit opgehelderd. Daarom heeft de jury in overeenstemming met de winnaar besloten dit jaar de geldsom die aan deze prijs verbonden is te overhandigen aan de nabestaanden van de slachtoffers. Ik vraag u nu een minuut stilte te bewaren voor hun nagedachtenis.’

Een minuut later treedt Miguel Agusti, de afgevaardigde van Spanje, naar voren en scheurt een envelop open.  ‘De winnaar van de Perfect Crime Award 2000 is Evelyne Lejeune.’