(Onderstaand stuk is een reactie op het stuk Misdaadauteurs zijn gebaat bij het afschaffen van de Gouden Strop van Tomas Ross in NRC Handelsblad van 24 november 2001. René Appel was echter eerder met zijn reactie, zodat Jacob Vis besloot zijn bijdrage niet op te sturen naar het NRC Handelsblad. Hij stelde het wel beschikbaar voor deze website, waarvoor dank.)

In Nederland ben je als literaire schrijver bijna verdacht als je het waagt een verhaal te schrijven - Jacob Vis

Kampen, 29 november 2001

Geachte Redactie,

Vorige week hield Tomas Ross op uw pagina (Opinie van 24 november) een pleidooi om de Gouden Strop, de jaarlijkse prijs voor de beste Nederlandstalige misdaadroman af te schaffen. De reden is dat de prijs niet de aansluiting tussen literatuur en misdaadliteratuur heeft bewerkstelligd, zoals degenen hoopten die hem indertijd in leven riepen. 
Ik weet wat een godvergeten moeite het gekost heeft een nieuwe sponsor voor de prijs te vinden - een prestatie waar we Charles den Tex, voorzitter van het Genootschap van Nederlandstalige Misdaadauteurs, niet dankbaar genoeg voor kunnen zijn. Het is te dwaas voor woorden een prijs af te schaffen die de enige serieuze beoordeling is van de Nederlandstalige misdaadliteratuur.
De enige? De enige.
Als inderdaad het doel van de prijs was om de misdaadliteratuur op te laten gaan in de literatuur hadden de initiatiefnemers het beter kunnen laten, want het zijn twee verschillende genres. Soms lijken ze bedrieglijk veel op elkaar en over en weer gebruiken de beoefenaren graag kwalificaties van het andere genre om hun eigen product aan te prijzen (een literaire thriller of de roman leest als een thriller) Maar beide genres hebben elk hun wetten, hun specifieke eigenschappen en hun publiek. 
Ik vergelijk het vaak met jazz en klassieke muziek. Beide zijn serieuze muziekvormen, maar ze beroeren verschillende snaren van de ziel. Bach en Coltrane zijn grootheden in hun genre. Hun muziek is tijdloos, maar vraag niet om een liefhebber van Bach een oordeel uit te spreken over muziek van Coltrane en omgekeerd. 
Een misdaadroman is een boeiend verhaal met een verrassende plot. Een literaire roman kan uiterst traag verlopen, nauwelijks verrassingen bieden en toch de lezer aan zijn stoel kluisteren. Het is maar wat je van een boek verwacht. Om elk misverstand uit te sluiten staat er op elke misdaadroman dat het een misdaadroman is, soms versierd met de toevoeging 'literair' en die onzin kunnen we niet vet genoeg wegstrepen.
Ross refereert aan de Engelstalige landen waar de misdaadliteratuur meer waardering krijgt dan in Nederland en Vlaanderen. Klopt. In Angelsaksische landen zijn bijna alle romans narratief. In Nederland ben je als literaire schrijver bijna verdacht als je het waagt een verhaal te schrijven: een vertelling met een kop, een staart en een middenstuk, waarmee de lezer een paar uiterst genoeglijke uren beleeft. De lezer moet lijden, laag voor laag de Diepere Bedoelingen van de schrijver lospellen en na afloop zet hij het boek in de kast en denkt er nooit meer aan. 
Een misdaadroman is een verhaal, per definitie en misdaadauteurs zijn dus vertellers. Als er iets is waar de literaire schrijver in ons taalgebiedje van gruwt dan is om 'verteller' te worden genoemd. 
Denk echter niet dat de misdaadliteratuur in andere landen gelijkgeschakeld is aan de literatuur. Ik kan me niet herinneren dat een misdaadroman is genomineerd voor de Bookerprijs, voor de National Book Award, of voor de Pullitzer Prize. Ook in andere landen is de misdaadliteratuur, ofschoon meer gewaardeerd dan hier, een eigen genre, met eigen prijzen en een eigen publiek. Bernard Schlink was een tamelijk onbekende Duitse misdaadschrijver tot hij Der Vorleser schreef, een literaire roman over de liefde van een schooljongen voor een voormalige kampbewaakster. Met dit boek brak hij internationaal door, en terecht, want het is een schitterende roman. Maar wat hij daarvoor en daarna schreef bleef slechts opgemerkt in de kleine kring van Duitstalige misdaadliteratuurlezers.
In Thinks, de nieuwe roman van David Lodge komt een vermakelijke scène voor die glashelder toont hoe literaire Engelse schrijvers misdaadromans waarderen. Helen Reed, een van de twee hoofdpersonen, schrijft literaire romans. Ze ontmoet op een feestje een Amerikaan die dol is op Elmore Leonard en vol belangstelling vraagt of ze misdaadromans schrijft. 'Nee,' zegt Helen. 'Ik lees ze niet eens' en ze ontvliedt als een haas zijn gezelschap.
Ross vindt - en hij niet alleen - dat misdaadromans te weinig aandacht krijgen van de literaire kritiek. Klopt ook. Elke literaire roman, goed boek of flutboek, krijgt een uitvoerige recensie in de landelijke kranten en wie de jurykwalificaties van AKO-prijs hoort en niet beter weet denkt dat we hier louter meesterwerken produceren. Natuurlijk, ook de winnaar van de Gouden Strop krijgt een lovend juryrapport, maar op een of andere manier klinkt dat heel wat realistischer dan dat voor het winnende boek van de AKO-prijs. 
Misdaadromans krijgen een paar kolommen in een hoek van de boekenbijlage. De onvolprezen thriller- en detectivegids van Vrij Nederland is de gunstige uitzondering, maar het gerucht gaat VN die jaarlijkse goudmijn, waarop de liefhebbers een jaar lang teren, af willen schaffen. Niet elitair genoeg?
Het is een misverstand om te denken dat afschaffen van de Gouden Strop de misdaadliteratuur opeens een eigen plaats zal geven in de fictieschrijverij. Die plaats heeft zij namelijk al. Het is een bescheiden plaats, maar het is een eigen plaats en dat moet vooral zo blijven. De deelnemers zijn ongeveer vijftig schrijvers in Nederland en Vlaanderen en een handjevol uitgevers en recensenten. Die laatste groep is de kern van elke jury voor de Gouden Strop. Het spreekt dus vanzelf dat er vaak wordt gewisseld. Schrijvers, uitgevers en recensenten van misdaadliteratuur zijn verenigd in het Genootschap voor Nederlandstalige Misdaadliteratuur (GNM). Een initiatief van Tomas Ross, net als de Gouden Strop. Hij zou dus bij uitstek de deskundige moeten zijn die het recht heeft om prijs en genootschap weg te honen. Maar zijn constatering dat er in veertien jaar Gouden Strop niets ten gunste is veranderd zegt weinig over de prijs en veel over de waardering voor het genre. 
Is het waar dat er in die veertien jaar geen progressie is geboekt? Wie de verkoopcijfers bekijkt is geneigd om Ross gelijk te geven. Maar wie een hedendaagse Nederlandse of Vlaamse misdaadroman ter hand neemt merkt dat er wel degelijk iets is veranderd. 
Niettemin is het een illusie dat literatuur en misdaadliteratuur in ons land ooit dezelfde waardering zullen krijgen. Tussen die twee zit een onuitroeibaar dédain: de nauw verhulde minachting van literaire schrijvers voor hun misdaadcollega's. Toen ik Tim Krabbé - Gouden Stropwinnaar in 1995 - een paar jaar later vroeg om een bijdrage aan een speciaal GNM-bulletin over de Gouden Strop kreeg ik een koel briefje met de mededeling dat hij niets met het genre misdaadliteratuur te maken wilde hebben. Hij had alleen meegedaan met de prijs voor het beste spannende boek. Ik vind Paulus de Boskabouter een van de spannendste boeken in onze letterkunde, maar we zouden toch vreemd opkijken het mee zou dingen naar de Gouden Strop.
Nederlandse literatuur is een mythe. De mythe van de kunst. Schrijven van misdaadromans is een ambacht. Het ambacht om een goed, spannend verhaal te vertellen. Pas als het spannende verhaal in de Nederlandse literatuur de aandacht krijgt die het verdient zou er een begin van een toenadering kunnen zijn. Ik zie dat nooit gebeuren. Dus blijft de Gouden Strop dé prijs voor de Nederlandstalige misdaadroman.

Jacob Vis, misdaadauteur.

Nederlandstalige misdaadauteurs © Alwin van Ee