Laten we voor het - mijn - gemak aannemen dat het verbod om uit de jury te klappen na tien jaar verjaart. Dat betekent dat ik voorlopig nog niet mag onthullen hoe Maarten 't Hart (1994) en Tim Krabbé (1995) aan hun Gouden Strop kwamen, maar wel hoe de winnaar van de allereerste Gouden Strop in 1986 zijn prijs verkreeg.
Het idee voor de prijs (van 10.001,-) kwam van Tomas Ross, de onvermoeibare strijder voor de erkenning van de Nederlandstalige thrillerauteur. Hij had het geld uit naam van het Genootschap losgepeuterd bij diverse uitgeverijen. Een gulden meer dan de net ingestelde Ako-literatuurprijs - een volwassen prijs voor een volwassen genre, zoiets.
De jury bestond uit René Appel (als thrillercriticus van NRC Handelsblad), Ad (nu Adriaan) de Boer (de Volkskrant), Menno Schenke (Algemeen Dagblad), Bert Vuijsje (toen Volkskrant, nu HP De Tijd) en mij. (Waarschijnlijk was Rinus Ferdinandusse gevraagd en had die gezegd dat er een vrouw in moest.) Bert Vuijsje was voorzitter.
Hoeveel boeken we moesten lezen, kan ik niet meer terugvinden, maar het waren er veel minder dan tegenwoordig.
De eerste jurybijeenkomst was bij René Appel thuis. We hadden allemaal vrijwel alles gelezen, zeiden we voor aanvang van de bespreking braaf, maar in de loop van de avond werd duidelijk, dat we ook allemaal over dezelfde boeken hadden zitten jokkebrokken en die deden verder niet mee. Over de boeken die voor bekroning in aanmerking zouden kunnen komen, waren we het snel eens. Schaduwen uit Gethsemane van Tomas Ross, Merg en been van Gerben Hellinga, De zaak Alzheimer van Jef Geeraerts en Import Export, Doodslag Moord van Martin Koomen, dat waren de beste boeken van dat jaar.
Nu had Ross van tevoren zenuwachtig gemeld dat hij uiteraard de jury op geen enkele manier wilde beďnvloeden, maar zouden we in godsnaam niet hém willen bekronen? Dus lieten we de Schaduwen vallen - met tegenzin.
Martin Koomen had aangekondigd dat Import Export het eerste deel was van een serie en we besloten te wachten op het volgende deel dat, zo dachten wij, ongetwijfeld nóg beter zou worden. (Sindsdien is vrijwel elk deel genomineerd, maar tot een Gouden Strop heeft het nooit geleid.)
Dat wordt dus het prachtige boek van Gerben Hellinga, dachten vier juryleden. Mooie plot, strak geschreven, geen woord te veel of te weinig, spannend tot het eind.
In gedachten zaten we het juryrapport al te formuleren. Tot de voorzitter roet in het eten gooide: een boek bekronen waarin twee sprekende honden voorkomen? Not in his life. Hoe we ook argumenteerden: hij bleef die mening onwrikbaar toegedaan. En zo is het gekomen dat Jef Geeraerts op het podium van het Zuidpleintheater in Rotterdam uit handen van hoofdcommissaris Blaauw de eerste Gouden Strop in ontvangst nam, voor een boek waarin een belangrijk plotelement al in de titel wordt prijsgegeven.
Het publiek vulde nauwelijks de eerste twee rijen van de zaal. Vrijwel het gehele gezelschap ging eten in een Indiaas restaurant. Iedereen zou voor zichzelf moeten betalen, want met de prijs en de zaalhuur was de kas leeg (een aanwezige uitgever maakte vervolgens een genereus gebaar). Een voorzitter, dacht ik na afloop, zou een jury eigenlijk niet zo onder druk moeten zetten. Van die gedachte heb ik later weer spijt gekregen.