Lezen is al sinds mijn prilste jeugd een van mijn meest favoriete bezigheden. Misschien ligt de oorzaak daarvan, in het feit dat ik een paar kilometer buiten een saai dorp, in het kale noorden van Friesland woonde. Dat maakte het vaak. vooral als 't slecht weer was, onmogelijk om me met mijn schoolvriendjes te vermaken. We woonden naast een boerderij, het domein van een jongen, die een paar jaar ouder was dan ik. Hij had een schat aan boeken in huis, waaruit ik naar hartelust mocht kiezen. En zo werden zijn boeken mijn vrienden. Toen ik tien was, had ik de complete Kapitein Rob, in de slappe kaftjes, al meerdere malen verslonden. Vooral de deeltjes waarin professor Lupardi en zijn sinistere assistent Yoto de hoofdrol speelden, verplaatsten mij naar werelden die in niets leken op het kale Friese landschap dat mij vanuit het raam gezapig toegrijnsde. Van huis uit werd dat lezen overigens niet erg gestimuleerd. Uit de schoolbibliotheek leende ik Pietje Bell. Dat ik daarbij steeds in de lach schoot, wekte de onverholen ergernis van mijn vader: "Jongen, kun je nou met ergens stil gaan zitten lezen?"
Op de huiselijke boekenplank stonden een paar streekromans en zo nu en dan wist ik een zondagsschoolboekje uit het fonds van Callenbach uit Nijkerk te bemachtigen. Naast het oeuvre van W. G. van der Hulst is Om een puntenslijper - wie het heeft geschreven weet ik niet meer - me daarvan het meeste bijgebleven. Een meisje wil net zo'n mooie puntenslijper als haar vriendin. Ze heeft het geld er niet voor. Maar ze vindt een oplossing om de gewenste schat toch te bemachtigen: gewoon een pepermuntje in het kerkenzakje stoppen en van de uitgespaarde stuiver collectegeld tot de begeerde aanschaf overgaan. Een paar dagen na het plegen van dit misdrijf ziet ze dat een dief door een politieagent wordt achtervolgd. De puntenslijper brandt in haar zak als een tikkende tijdbom. Vooral de illustratie van de rennende agent, met geheven sabel, die de zware jongen achtervolgt, bezorgde me 's nachts voor het slapen gaan, menig angstig moment. Eind goed al goed. Het meisje biechtte alles op, de dief kwam achter de tralies en Gods vergevingen en vermaningen werden in het boekje, dat niet meer dan vijftig pagina's telde, wel over drie bladzijden uitgesmeerd. Achteraf een thriller, verteld uit het gezichtspunt van een misdadigster, met een opmerkelijke afloop!
Toen ik twaalf was, moest ik frauderen om toegang te krijgen tot het werk van Karl May en Jules Verne. Een zuinig kijkende bibliothecaresse hoedde als een kloek over de onbedorven zielen van aankomende pubers en had op de boeken, die in mijn ogen juist spannend waren, een groene stip geplakt: geschikt voor vijftien jaar en ouder. Officieel moest ik me nu dus beperken tot commissaris Achterberg en Bram Vingerling en niet te vergeten de katholieke cowboy Arendsoog. Slappe kost. Het heeft me menig ouder vriendje opgeleverd, dat voor een Mars of wat kleingeld, bereid was zijn weekopbrengst, waaronder veel Havank, ook slappe kost trouwens, naar mij door te schuiven. Bovendien kreeg ik de beschikking over de kaart van een oom, die graag las, maar die door zijn werk weinig tijd had om de bibliotheek te bezoeken. De bibliothecaresse was daarmee verslagen.
Alles kwam nu moeiteloos binnen mijn bereik. Tot mijn zestiende verslond ik Agatha Christie. Op een dag, vlak voor ik zeventien werd, was dat opeens over. Ik begreep niet waarom ik nou zo genoten had van al die gezellige Engelse puzzels. Maar toen verschenen gelukkig Edgar Allan Poe, Lovecraft en Conan Doyle in mijn leven, gevolgd door Melville en Conrad. Dat was nog eens andere koek dan die brave moorden tussen de tuttige Britse bloemenperkjes. Verwoed ging ik verder. Graham Greene, Ambrose Bierce, Tsjechov en vervolgens de rest van de Russische bibliotheek. Vooral Misdaad en straf imponeerde. En dan Dickens, die ook wel van wanten wist als 't om het vertellen van een spannend verhaal ging.
De tijd verstreek. De thrillers raakten wat op de achtergrond en ik ontdekte Orwell, Huxley, Faulkner en Lowry. Jaren las ik vrijwel niets anders dan wat zo nadrukkelijk 'wereldliteratuur' wordt genoemd. Overigens geen moment spijt van gehad. Tot ik een jaar of tien geleden voor Penthouse een reportage over parachutespringen ging maken. Ik reisde in opdracht van hoofdredacteur Peter Yeh af naar Texel, met meer boeken in mijn bagage dan ondergoed. Na een blik op, wat als ik het mij goed herinner, een deeltje uit mijn Vestdijkcollectie was, vroeg Yeh bezorgd of ik ook wel eens 'gewone' boeken las. Na enig doorvragen begreep ik dat hij daarmee spannende boeken bedoelde. Ik probeerde hem ervan te overtuigen dat Vestdijk best als spannend te ervaren is, maar hij zag meer in rechtgeaarde thrillers. Onder de naam 'Misdadig' kreeg ik een column en daarin mocht ik in alle vrijheid boeken bespreken die ik spannend en interessant voor de Penthouselezers vond. Ik moet inmiddels duizenden 'thrillers' gelezen hebben, de hoofdmoot daarvan bestaat uit buitenlands al dan niet vertaald werk. En zo nu en dan een Nederlands spannend boek. Toen ik dat recenseren een jaartje gedaan had, rolde opeens de uitnodiging om zitting in de jury van de Gouden Strop te nemen in de brievenbus. Natuurlijk zei ik ja. Ik geloof dat de postbode in een paar maanden tijd meer dan veertig boeken afleverde. En dat was dus de eerste keer dat ik meer dan veertig boeken van Nederlandstalige auteurs in één ruk achter elkaar las. Een klus was het zeker. Vaak wist ik na een paar pagina's al dat ik niet de winnaar zat te lezen en ook geen nominatie. Maar als plichtsgetrouw jurylid, worstelde ik verder. Het viel me op dat nog veel schrijvers in het Nederlands taalgebied bij het woord 'thriller' denken aan een politieroman. Een moord, een onderzoek, een rijtje verdachten, voor het moderne tintje een beetje corruptie en dan de gedegen, nauwgezet uitgelegde ontknoping. Naast die oubolligheid, waren er gelukkig ook uitschieters. Schrijvers die durfden af te wijken van de platgetreden paden. René Appel verraste me met een prachtig Hollands drama, net zo naargeestig en grauw als de sfeer in het werk van Arthur van Schendel. Henk Apotheker gaf een origineel tijdsbeeld van de verharde krakerswereld. Jammer dat dat tweede boek zo lang op zich liet wachten. Den Tex liet zijn hoofdfiguren over de hele wereld uitzwermen en dat gaf Dump een vleug internationale allure. En Jacob Vis maakte zo'n mooie policier dat ik even dacht met een uitgekiende parodie op het genre van doen te hebben. In leder geval waren de door ons genomineerde boeken stuk voor stuk op een of andere manier het genre een beetje ontstegen. Het leek warempel wel literatuur. De winnaar werd Vertraging van Krabbé. Sober geschreven psychologische horror van hoog kaliber. Dat boek had ik in Penthouse al een excellente thriller genoemd, op het moment dat ik nog niet wist dat ik jurylid voor de Gouden Strop zou worden. Tomas Ross was het met onze keus, die vrijwel unaniem tot stand is gekomen, niet eens. Toch vind ik Vertraging nog steeds een spannend boek, dat verdiend heeft gewonnen, Tomas! En als schrijvers voortaan boeken inleveren in plaats van een dikke stapel faxen, op de allerlaatste dag, dan kan dat denk ik ook nog wel eens invloed hebben op de kansen van hun inzending. Een lezer wil een boek, een recensent ook. En waar blijven nou die thrillers over de IRT, over Doctors van Leeuwen, over Sorgdrager en vooral, waar blijft de True Crime en waar de spionage? Er gebeurt toch elke dag wel iets spraakmakends als je de kranten er op naleest! Het jureren voor de Gouden Strop is leuk, maar het zou er een stuk interessanter op worden als meer schrijvers van spannende boeken hun onderwerpen in de breedte zouden zoeken. Crime is everywhere!