Dertien jaar geleden kwamen dertien Nederlandse misdaadauteurs bijeen in een café onder de Westertoren. Tomas Ross had het initiatief genomen voor een verrassend plan: de oprichting van een genootschap van Nederlandstalige misdaadauteurs. De Nederlandse misdaadroman had zich net aan het imago van de Hollandse binnenkamer ontworsteld, Lex van der Tuyn Walinga, Hank Stammer en Peter Finch bedreven hun heldendaden aan verre kusten en juist daar, op de meest Nederlandse aller locaties ontstond op een herfstdag in 1986 een nieuwe club: het Genootschap van Nederlandstalige Misdaadauteurs.
Een club met een prijs. Geen betere manier om de Nederlandstalige misdaadroman te promoten dan de beste roman van het jaar te belonen met een prijs, vond Ross en hij kreeg mandaat om sponsors te zoeken.
Geen prijs zonder naam. In Amerika heet hij de Edgar Allen Poe-prijs, in Engeland de Gouden Dolk en in Nederland zou hij De Gouden Strop gaan heten, naar een boek van Joop van den Broek, de aartsvader van de Nederlandse thriller.
Geen prijs zonder fonds. Een halfjaar later had Ross bij allerlei uitgevers ƒ 10.000 bijeen gesprokkeld. Joop van den Broek voegde uit eigen zak ƒ 1 toe, zodat de eerste winnaar ƒ 10.001 won
- waarmee de Gouden Strop een van de hoogst genoteerde literaire prijzen werd in ons taalgebied.
Maar eerst moest er een reglement komen en een jury om het uit te voeren: vijf Nederlandstalige journalisten, recensenten, publicisten die zich naar het oordeel van het GNM-bestuur verdienstelijk hadden gemaakt voor de Nederlandstalige misdaadroman. Bert Vuijsje werd de eerste voorzitter, Diny van de Manakker, René Appel (toen nog recensent voor NRC Handelsblad), Adriaan de Boer en Menno Schenke waren de andere juryleden van het eerste uur. Hoe het ging met de toekenning van die eerste Strop leest u in het onthullende en vermakelijke artikel van Diny van de Manakker elders in dit nummer.
Merkwaardig genoeg hadden literaire schrijvers in die eerste jaren weinig belangstelling voor de Gouden Strop - toch een prijs die een volle gulden hoger was dan hun eigen AKO-prijs.
Tot 1992 was de Gouden Strop het onbetwiste domein van de Nederlandse misdaadliteratuur. Een wereldje met een eigen mores. Ik herinner me de tv-uitzending van de uitreiking van de Gouden Strop in 1989. Een item in een actualiteitenprogramma: een groepje mannen in vrijetijdskleding, een ultrakort verhaaltje over de prijs, Gerben Hellinga die door lacherige collega's naar voren werd geduwd, zijn dankwoord, cryptisch als de aankondiging en de abrupte overgang naar het volgende onderwerp.
In 1992 vond een fundamentele verandering plaats. Bruna - de winkelketen, vooral niet te verwarren met de uitgever
- nam de sponsoring over en verhoogde de prijs naar ƒ 25.000. Geen ƒ 100.000 waartoe de AKO-prijs inmiddels was bevorderd, maar een riant bedrag in vergelijking met de ook al niet kinderachtige ƒ 10.001 voor de eerste Gouden Strop.
Geen prijs zonder prijs: Bruna stelde als wens, later als eis dat de prijs haar naam droeg en openstond voor alle spannende Nederlandstalige boeken. Het GNM-bestuur, nog steeds degenen van het eerste uur
- Tomas Ross, Menno Schenke, Rinus Ferdinandusse, Hanca Leppinck en René Appel -
ging akkoord, in de veilige wetenschap dat spannend in het literaire circuit zelden als een positieve kwalificatie wordt beschouwd.
De naam bleef een hangijzer tussen GNM-bestuur en sponsor. Bruna wilde een Bruna-prijs, zonder toevoeging
- het GNM-bestuur wilde de oorspronkelijke naam handhaven, zodat er ten slotte een compromis ontstond: de Bruna Gouden Strop. Dat de prijs in de wandeling nog steeds de Gouden Strop heet kan zelfs ƒ 100.000 waarschijnlijk niet veranderen.
Wat wel veranderde waren de inzendingen. Voor het eerst kwamen
nu boeken op de groslijst die een onmiskenbaar literair stempel droegen. En in 1994 won Maarten 't Hart
- bij alles wat je van hem kunt zeggen: beslist geen misdaadauteur - en een jaar later won Tim Krabbé, die (zoals u in zijn eigen bijdrage in dit blad leest) niet eens had meegedaan als de Gouden Strop een exclusieve prijs voor misdaadromans was. Het GNM-bestuur maakte overuren om de gemoederen te sussen en sprak uitvoerig met de sponsor om het reglement zo in te kleden dat er weliswaar nog steeds spannende boeken op de groslijst mochten komen, maar het predikaat misdaadroman moest
- als het niet op het boek stond - impliciet zo duidelijk zijn dat een nieuwe winnaar uit het schemergebied vrijwel uitgesloten werd.
Na die turbulente periode 1994 en 1995 werd alles weer gewoon. In 1996 en 1997 kregen vijf misdaadromans een nominatie en om helemaal duidelijk te maken voor wie de Gouden Strop is bedoeld wonnen in die jaren twee onvervalste misdaadschrijvers voor de tweede keer: Ross in 1996 met Koerier voor Sarajevo en Mendes met De Kracht van het Vuur in 1997.
Zo is de cirkel rond. Tien keer een Gouden Strop. Middenin twee uitstapjes voor boeken uit een ander genre en aan het begin en aan het einde voor onmiskenbare misdaadromans.
In 1996 kreeg Gouden Strop een baby: de Schaduwprijs voor het beste spannende debuut van het jaar. En de geschiedenis leek zich te herhalen: naast misdaadromans kwamen in 1997 en 1998 ook spannende debuten van andere herkomst. Om het bedrag hoef je het nauwelijks te doen, maar de eerste winnares
- Corine Kisling - was
zo blij als een debutant.