

Ab
Visser (1913-1982), ook bekend als Ab. Visser en Albert Visser, werd in de
toenmalige buurt De Eilanden (is nu De Westerhaven) te Groningen op 14
februari 1913 geboren. Hij stierf op 9 mei 1982 te Amsterdam.
Visser was zeer productief promotor en
schrijver van misdaadromans en boeken over het genre, zoals Kain sloeg Abel
(ZB
687, 1963), Onder de gordel. Erotiek en geweld in de misdaadroman (1968) en
Wie
is de dader. De misdaadliteratuur van E.A. Poe tot heden (1971, in de reeks
Literaire Verkenningen). Hij probeerde het korte misdaadverhaal populairder te maken in
pockettijdschriften als Pulp en Dubbel M. Hij schreef ook poëzie,
verhalenbundels en jeugdboeken.
Ab Visser schreef ook onder pseudoniemen Carel J. Bicker en A. Ferwerda (maar
geen misdaadliteratuur). Bekende 'andere' titels van hem zijn 't Peerd van
Ome Loeks en Rudolf de Mepse. Het monsterproces van Faan. Hij
ontving de Hendrik de Vriesprijs in 1958.
Als jongste kind uit een eenvoudig, orthodox-hervormd gezin werd Ab Visser
opgeleid tot meubelmaker, maar al spoedig, toen hij niet geschikt bleek voor
dit vak, ontslagen. De daaropvolgende onderwijsstudie maakte hij niet af.
Vanaf 1935 probeerde hij een bestaan op te bouwen als schrijver.
Na de bezetting werd Vissers leven steeds meer bepaald door een
gewrichtsziekte, de ziekte van Bechterev.
Zijn kleine gestalte groeide steeds krommer, waardoor onder meer de ademhaling
in toenemende mate werd bemoeilijkt. Voor behandeling van zijn ziekte en voor
het warme klimaat maakte hij vele reizen naar landen als Frankrijk, Portugal,
Marokko, later vooral naar Italië. Door zijn gebochelde gestalte, maar ook
door zijn snerpende stem en zijn provocerende optreden was Ab Visser een
opvallende persoonlijkheid. Dat hij
meestal werd gezien in het gezelschap van
een aantrekkelijke vrouw, maakte zijn optreden des te opvallender. Met steeds
scherper zelfspot beschreef hij zijn kwalen en zijn uiterlijk, het meest
openhartig in enkele artikelen in jaargang 1979/1980 van het Amsterdamse
studentenweekblad Propria Cures, waarvan hij toen gastredacteur was.
"Ik heb al vaak voor de kist gestaan, maar ik spring er steeds weer
overheen," merkte Visser eens in een interview op.
(Hiernaast de
grafsteen van Ab Visser,
in de vorm van een boek.
Graf nr. 2-1-343, Nieuwe Oosterbegraafplaats,
Amsterdam Watergraafsmeer.
foto: AvE, 12-4-2003.)
Ab Visser, met zijn wat
rauwe humor, nam geen blad voor de mond en spaarde geen reputaties. Dat
betekende soms het einde van een vriendschap. Bekend èn berucht was hij ook
om zijn feesten. Vaak onder het mom van een literaire avond liet hij zich
ergens uitnodigen en viel dan met de hele 'Ab Visser-bende' binnen. Het doel
was zich te voorzien van veel drank, veel vrouwen en - zoals hij zelf zei - om
te zien hoe verschillende mensen op elkaar reageerden.
Vissers belangstelling voor de duistere kanten van het leven bleek al vroeg,
bijvoorbeeld in de historische novellen uit de in 1946 verschenen bundel Galg
en rad. Zij vriend Ferdinand Langen noemde hem daarom een
vertegenwoordiger van de zwarte romantiek. Opvallend is inderdaad, vanaf het
eerste proza, de aandacht voor het kwaad, zowel voor de man die door
omstandigheden in de misdaad terecht komt als voor de gewetenloze,
opportunistische misdadiger. Die belangstelling, en misschien ook de
veronderstelling dat misdaadliteratuur beter verkocht werd, brachten
Ab Visser
bij de detective. In 1952 was hij een van de winnaars van de
detectiveprijsvraag van uitgeverij Bruna. Al vrij snel ontwikkelde hij zich
tot autoriteit op dit gebied: recensent, redacteur, adviseur van uitgeverijen,
auteur. In enkele werken, onder andere in de in 1963 in opdracht van het
ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen geschreven 'studie in
onbehagen' Kaïn sloeg Abel. Een handleiding voor de detective-lezer, pleitte hij bij herhaling voor een volwaardige plaats voor het spannende
verhaal in de literatuur. Met zijn periodieken in boekvorm (Dubbel M,
Pulp, Plot) probeerde hij niet alleen het misdaadverhaal
meer waardering te bezorgen, maar ook bekende auteurs te bewegen tot het
schrijven van dergelijk proza. Succes had dit 'halsstarrig ijveren... door de
monomane nestor' (Tomas Ross) voor een deel pas later. Zijn eigen
misdaadverhalen leggen het accent meer bij de psychologie van de hoofdpersoon
dan bij de spannende gebeurtenissen.
Hij is tweemaal getrouwd geweest: eerst met de fotografe Edith Visser en later
met Margreet Hirs, die een (semi-)autobiografische
roman schreef over hun verhouding, getiteld De Troosteres.
Meer dan zes jaar na zijn dood, in oktober 1988, vond in Den Haag de
oprichting plaats van de Ab Visser Sociëteit, die de belangstelling voor
leven en werk van deze opvallende non-conformist levend wil houden, onder meer
door het uitgeven van de Ab Visser Cahiers.
Werk (thrillers): De man zonder hoofd (1947); De samenzwering (1965); De kat en de rat (1967); Het kind van de rekening (1969); De chanteur, 7 thrillers (1972); Sheffield staal (1978).
Lees vooral ook 'Brieven aan Ab Visser' in Het Lieve Leven
(1974) van Gerard Reve, waarin een veelzeggende brief van Visser zelf is
weergegeven.
Verhaal: 'De vermageringskuur' in: 2e
land van de griezel.