Interview met Gerhard Hormann

door Alwin van Ee

maart 1999 ©Alwin van Ee en ©Gerhard Hormann

 

Gerhard HormannHoe zien je dagen eruit? Heb je een vaste dagindeling? Moet je van jezelf een bepaald aantal bladzijden per dag schrijven?
Om met dat laatste te beginnen: ja! Wanneer ik met een boek bezig ben, werk ik daar iedere doordeweekse avond aan (dus van maandag tot en met donderdag). En dan blijf ik net zo lang achter mijn computer zitten tot ik minimaal twee pagina’s af heb. Op die manier kun je in ongeveer tien maanden tijd de eerste versie van een boek af hebben. Je moet dan al die tijd wel de discipline op kunnen brengen om op die avonden geen verjaardagen te bezoeken, niet voor de buis te gaan hangen als daar toevallig een geweldige film op te zien is, of al te snel toe te geven aan gevoelens van "te moe" of "geen zin". Series als The X-Files en Millennium neem ik dus steevast op om ze, vaak dezelfde avond nog, op video te bekijken. Zit je eenmaal in die tredmolen – want dat is het – dan is dat ook best vol te houden. Het is gewoon een soort ritme waar je in komt. Of, om in termen van de band Normaal te spreken, een kwestie van "niet lullen, moar speulen."

Heb je de plot al in je hoofd als je aan een roman begint?
Niet echt. Ik weet hoe het verhaal begint en – globaal – waar het gaat eindigen. Wat er tussendoor allemaal gaat gebeuren, is voor mij net zo’n verrassing als voor de lezer. Je hoort wel eens verhalen van schrijvers die van tevoren precies weten wat er in ieder hoofdstuk moet komen te staan, maar die heb ik persoonlijk nog nooit ontmoet. Het is toch vaak meer het idee van: ergens een lijk neerleggen en dan maar zien wat er van komt. Michael Connelly heeft bij het schrijven van De Dichter zelfs halverwege besloten om een andere dader te kiezen dan hij aanvankelijk in zijn hoofd had. Daardoor zet hij de lezer totaal op het verkeerde been en is de ontknoping compleet verrassend.

Hoeveel versies schrijf je van één boek?
Ongeveer drie a vier. De eerste ruwe versie gaat naar mijn uitgeverij en naar een neerlandica op wier oordeel ik blind vaar. Die haalt echt iedere onvolkomenheid eruit, zelfs kleine schoonheidfoutjes waarvan je hoopt dat niemand ze opmerkt. In mijn eigenwijsheid leg ik soms wel eens iets van haar kritiek naast me neer, dus ieder los draadje en iedere zwakke plek die blijft zitten, komt op mijn conto. Aan de hand van alle kritiek ga ik schuiven, herschrijven en schrappen (soms wel 50 pagina’s) en altijd moet ik toegeven dat het eindresultaat dan veel beter is. Vervolgens gaat er nog een persklaarmaker overheen die een rode streep zet bij alle eventuele tik- en stijlfouten. Maar alle wijzigingen worden uiteindelijk door mijzelf aangebracht. In Amerika schijnt het heel gebruikelijk te zijn dat redacteuren van uitgeverijen eigenhandig manuscripten gaan zitten herschrijven, maar hier gebeurt dat volgens mij niet.

Hoe kom je aan de namen van je personen?
Dat is vaak echt een kwestie van om me heen kijken zodra ik een nieuw personage introduceer. Rondslingerende visitekaartjes, boekomslagen, elke inspiratiebron is op zo’n moment welkom. Ook vernoem ik regelmatig vrienden en collega’s. Maar het gebeurt ook dat ik achteraf pas een definitieve naam verzin. Dan pak ik meestal het telefoonboek erbij en ga met mijn vingers de rij langs op zoek naar een naam die goed klinkt en bij het bewuste personage past. Vaak zoek ik naar Nederlandse namen die een beetje internationaal klinken: Beekers (Baker), Dekker (Decker). Maar uiteindelijk zit aan bijna iedere naam een verhaal vast. Zo is de paragnost uit mijn eerste boek rechtstreeks afgeleid van een bestaande helderziende uit Leiderdorp. In zijn geval maak ik van de echte naam (Bram Hensink) iets wat daarop lijkt (Bart Huntink).

Je werkt o.a. voor het blad Aktueel. Is je journalistieke werk gemakkelijk te combineren met het schrijverschap? Doe je die twee naast elkaar of zonder je je af als je een roman schrijft?
Mmmm, ik vraag me af wat mijn vrouw ervan zou vinden als ik voorstel om me ieder jaar een maand of acht af te zonderen. Nog los van de rekeningen die dan onbetaald zouden blijven… Maar goed: ik werk fulltime in loondienst bij het weekblad Aktueel, dus ik ben aangewezen op de avonduren. Afzonderen doe ik me dan inderdaad: in mijn werkkamer. De combinatie journalistiek/schrijven is op zich een heel vruchtbare, al is het in deze opzet natuurlijk wel behoorlijk zwaar. Maar ik woon op meer dan een uur rijden van mijn werk, dus ik gebruik de avondspits iedere dag om de knop in mijn hoofd om te zetten. Terwijl ik in de file sta, probeer ik al te bedenken hoe het verhaal die avond verder zal gaan.

Wil je je op den duur helemaal aan het schrijven van fictie wijden?
Op zich is dat alleen een optie als ik (a) morgen de giroloterij win of (b) opeens net zo veel boeken ga verkopen als Baantjer. Maar los daarvan: ik denk dat ik de journalistiek op dit moment te veel zou gaan missen. Dankzij mijn werk doe ik veel inspiratie op en kom ik ook in aanraking met de meest uiteenlopende mensen. Zo zal ik nooit vergeten hoe ik tijdens De Plaag een reportage mocht maken over... een Afrikaanse toverpriester. Ik had mijn personages de avond tevoren achtergelaten voor de deur van een appartement in de Bijlmer en wist eigenlijk nog helemaal niet wat ze daarbinnen precies zouden aantreffen. Die dag kwam er op de redactie een tip binnen over een voodoopriester die bezig was met een magisch ritueel ergens in een rijtjeshuis in Arnhem. Stond de eindredacteur ineens naast mijn bureau met de vraag of ik soms zin had daar een reportage over te maken. Bijna alles wat er in De Plaag staat over die bonuman, inclusief begraven kip, half-Frans geprevel en blauwe jurk, is dan ook echt gebeurd. Sindsdien geloof ik niet meer in toeval.

Heb je wel eens overwogen een reeks met een vaste hoofdpersoon te schrijven? Of ben je bang dat een vaste formule verstikkend werkt?
Nee, dat lijkt me niets. Hoewel je iedere keer weer bijzonder aan je personages gehecht raakt, vind ik het ook iedere keer weer leuk om iets totaal anders te gaan doen. Is een boek eenmaal af, dan ga je zitten broeden op een nieuw idee. En uiteindelijk bedenk je weer iets waar je zo warm voor loopt dat je meteen weer wil gaan schrijven en dat vervolgens ook een jaar lang leuk blijft vinden. Nieuwe personages zijn dan interessanter, omdat die nog helemaal blanco zijn. Wat ook meespeelt, is dat ik zelf niet zo van series hou. Ik vind De Dichter van Michael Connelly geweldig, maar zijn boeken over Harry Bosch lees ik om de een of andere reden nooit uit.

Je noemt alleen buitenlandse auteurs zoals King als je favorieten. Volg je Nederlandse en Vlaamse collega's? Wat vind je van Ross, Appel, Hellinga, Geeraerts etc.?
Eerlijk gezegd betrap ik mezelf nogal eens op hetzelfde mechanisme waar ik als Nederlandse schrijver zelf ook last van heb: dat ik veel eerder grijp naar iets van een Amerikaanse of Britse auteur dan naar de nieuwe Muns of Mendes. Ik vond Bèta van Tomas Ross heel erg goed, maar van Hellinga of Geeraerts heb ik nooit iets gelezen. Bert Muns lees ik omdat ik die goed ken. En van Peter de Zwaan kan ik in ieder geval zeggen dat die man benijdenswaardig goed kan schrijven.
Mijn roots liggen eigenlijk ook meer in de Fantasy en de horror: ik ben begonnen met schrijvers als Ursula LeGuin, Tanith Lee, James Herbert en – daar gaan we weer – Stephen King. Van daaruit ben ik min of meer per ongeluk in het thrillergenre terecht gekomen. Maar nog steeds vind ik boeken en films die zich op dat snijvlak bevinden het interessantst. Denk aan: Het Uur Van Het Beest van Andrew Klavan, de films Fallen en Jacob’s Ladder en een serie als Millennium.

Streef je ernaar dat je boeken een soort voorspellende waarde hebben? Jef Geeraerts en Tomas Ross kiezen ook voor actuele thema's in hun eigen land en hun fictie blijkt later soms werkelijkheid te worden. Laat je De plaag om die reden in de toekomst spelen?
Nee. De Plaag speelt zich in de toekomst om te voorkomen dat het te snel door de actualiteit zou worden ingehaald (iets wat met Beta van Toma Ross per slot van rekening ook is gebeurd) en om – als politicoloog - mijn toekomstvisie kwijt te kunnen. In mijn optiek gaan we een barre toekomst tegemoet vol rassenrellen, economische crises en verregaande verrechtsing. Maar ik heb gemerkt dat, zodra je verhalen dicht tegen de realiteit en de actualiteit aanleunen, ze maar al te vaak een soort voorspellende waarde blijken te hebben, hoe indirect en onbedoeld ook. Zo staat op het omslag van Dubbel Bedrog een neergesmeten fiets en een blauwe tas. Als zo’n omslag dan van de pers rolt precies op het moment dat er in Maarn een meisje verdwijnt van wie alleen een fiets en een blauwe rugzak wordt teruggevonden, dan is dat creepy. Mensen gaan dan al snel vragen of je thuis soms een glazen bol hebt staan. Nee, natuurlijk niet. Maar wel een knipselarchief vol artikelen over serieverkrachters, kinderporno en spoorloze verdwijningen. Wat overigens niet betekent dat ik me zou willen beperken tot het soort faction dat Ross steevast schrijft. Iedere volgend boek kan wat mij betreft elke kant op.

In De plaag laat je een van je personages zeggen: "Het is de mens... Uiteindelijk is het altijd de schuld van de mens. Die is de grootste plaag van allemaal." Dit is volgens mij een centraal - bijna boeddhistisch - thema in het boek. Ben je zo'n misantroop in het dagelijks leven?
Ah, daar moest ik even het woordenboek voor pakken. Nee, een mensenhater ben ik absoluut niet. Wel heb ik een realistische en (daardoor) niet altijd even optimistische kijk op de mens en zijn drijfveren. Ik ben ook geen boeddhist of zo. Na De Plaag kreeg ik vaak van dat soort vragen: of ik soms een erg somber of cynisch mens ben. En dat terwijl ik juist behoorlijk vrolijk en luchtig door het leven ga. Ik signaleer veel dingen in de maatschappij die een mens droevig zouden kunnen stemmen, maar laat mijn persoonlijke welbehagen daar niet door beïnvloeden. Ik kan ook met een brede glimlach naar de muziek van Joy Divison of Paradise Lost luisteren, misschien is dat het.

De rigide Nederlandse waterscheiding tussen literatuur, thrillers en sciencefiction heeft ertoe geleid dat literaire en thrillerrecensenten je tweede boek, De plaag, nauwelijks hebben opgemerkt omdat het toevallig het etiket sciencefiction kreeg opgeplakt. Wat vind je van het beleid van uitgevers in dit opzicht? Hoe wordt Dubbel bedrog gepresenteerd?
Mijn uitgever doet zijn best, maar het zijn de recensenten en bibliotheken die met dat soort etiketten gaan wapperen. Pas toen ik in de bibliotheek dat wolkje op de rug van De Plaag zag, ontdekte ik dat ik een sciencefiction-boek had geschreven. Dat schrikt allerlei lezers af die niet van Star Trek en ruimtereizen houden, terwijl ze dat boek misschien hartstikke leuk zouden vinden. Nederlanders houden van hokjes: als ik als politicoloog een artikel in de krant schrijf over de woningmarkt (AD, 18 maart 1999), dan kunnen mensen dat ook met geen mogelijkheid rijmen met de thrillerauteur Hormann. Dat sommige recensenten meteen hysterisch worden bij iedere schijn van iets paranormaals of bovennatuurlijks, vind ik stuitend. Maar al doende leert men: Dubbel Bedrog is zonder enig misverstand een ‘normale’ thriller. Dat staat op de omslag en ook de bijbehorende foto communiceert dat. Meer kan (en hoeft) een uitgeverij niet te doen. En ik vind dat er in dit genre ook maar twee criteria zouden moeten gelden: is een boek goed geschreven en is het echt spannend?

Je doet kennelijk uitvoerig research voor een boek, naar ik aanneem ook voor Dubbel bedrog. Heb je voor je nieuwe boek ook met de politie gesproken? Zo lang de dader niet is gepakt, zal de politie niet erg scheutig zijn met informatieverstrekking, vermoed ik. Zijn de normale media je belangrijkste bronnen? Heb je een archief bijgehouden over de 'Vadsige fietser', zoals die serieverkrachter in de buurt van Utrecht werd genoemd?
Toevallig is er net een drukproef van Dubbel Bedrog richting de Utrechtse recherche gegaan. Mijn informatie over de Utrechtse serieverkrachter is afkomstig uit openbare bronnen: ik had al een uitgebreid archief met knipsels over (serie)verkrachters en daar zat die zaak ook in. Daarnaast heb ik een aantal boeken gelezen over verkrachters en slachtoffers van verkrachtingen, plus boeken over astrologie en horoscopen. Omdat het hier nadrukkelijk om fictie gaat, heb ik tijdens het schrijven ook geen contact gezocht met de Utrechtse politie maar me beperkt tot artikelen uit kranten en tijdschriften. Ik hou me aan de ene kant strikt aan de feiten: zijn signalement, de data waarop hij heeft toegeslagen, zijn werkwijze, zijn plotselinge verdwijnen, etc. Daarnaast voeg ik elementen toe die ik zelf verzonnen heb maar die heel plausibel zijn: bijvoorbeeld dat de dader zijn slachtoffers observeert voor hij toeslaat, zijn schaamhaar afscheert (i.v.m. DNA-sporen) en een condoom gebruikt (idem). In het boek geef ik ook een verklaring voor het feit dat hij na december 1995 niet meer actief is geweest.

Is Dubbel bedrog anders dan je vorige boeken?
Ja. Eindelijk mocht ik de proloog en de epiloog handhaven! En verder: sommige mensen zullen dit boek beschouwen als een logischer vervolg op Sporen van Angst. Het is dan ook duidelijk meer een misdaadroman dan De Plaag. Maar voor mij persoonlijk is er weinig verschil: ik probeer iedere keer een zo spannend mogelijk verhaal te schrijven met liefst wat venijn in de staart. Regelmatig hoor ik dat mensen een van mijn boeken in een ruk hebben uitgelezen en dat doet me op zo’n moment meer deugd dan de meest positieve recensie. Ik moet mezelf maar al te vaak door zogenaamd adembenemende "thrillers" heen slepen: de echte pageturners die ik in mijn leven ben tegengekomen, passen bij mij thuis op een plankje van een halve meter…

Terug naar de Gerhard Hormann-pagina | crime.nl © Nederlandstalige misdaadauteurs